Interview met Stéphane Beel, architect van M
De rijkdom van ons patrimonium blijkt niet alleen uit de kunstwerken, maar ook uit de zichten op de stad.
Prins Charles hoort het niet graag, maar oude en hedendaagse architectuur verrijken elkaar wel degelijk. Sterker. Hedendaagse architectuur is niet zelden noodzakelijk om de historische gebouwen te laten overleven. Zo ook in het nieuwe Leuvense museumgebouw. Het voormalige museum was namelijk het resultaat van een turbulente geschiedenis waarin het oorspronkelijke hart van het museum - het huis Vander Kelen-Mertens - uitgebreid werd met o.a. de voormalige stadsbibliotheek en de voormalige academie. Hierdoor ontstond een chaos aan stijlen, verborgen gebouwen, ontbrekende verbindingen enz. Dat alles vormde niet alleen een weinig vruchtbare context om een aantrekkelijk museum op te bouwen, maar ook een situatie die door haar inefficiëntie en onaantrekkelijkheid enkele waardevolle gebouwen en elementen
dreigde te verstikken.Daarom schreef Leuven in 2004 een oproep uit die deze gordiaanse gebouwenknoop moest ontwarren. Dat precies de Brugs-Gentse architect Stéphane Beel deze internationale oproep won, was niet helemaal verrassend. Zijn bureau bezit namelijk een zeer grote expertise in het reorganiseren van historische gebouwcomplexen. Zo verbouwde hij tien jaar geleden al het Centraal Museum van Utrecht (i.s.m. Lieven Achtergael) of recenter de Leuvense Vlerickhogeschool (i.s.m. Office 360). Net als deze projecten elimineerde de architect ook in M de storende elementen en voegde hij nieuwe onder delen toe zodat er een nieuwe, heldere structuur ontlook die ook de gebouwen met een grote staat van dienst een nieuw leven schenkt.
De bouwgrond waarop hij het museum tekende was dus alles behalve maagdelijk. Maar, zo merkt Beel terecht op, lege bladen bestaan helemaal niet voor een architect. Of zoals hij het zelf formuleert :"Er is altijd een dwingende context. Ook in een niet bebouwd landschap gaan wij steeds na of we de geest van de plek wel kunnen versterken. Vandaar dat ik bij mijn zoektocht naar goede medewerkers steeds kijk of ze de relativiteit van de architectuur voldoende erkennen en aanvoelen."
Maar een museum - uiteindelijk toch een zeer publiek gebouw - moet zichzelf toch niet te veel relativeren?
SB: Een museum in een stadscentrum moet uiteraard 'aanwezig' zijn. Maar de voormalige stadsbibliotheek bijvoorbeeld was wel erg onzichtbaar. Daarom vroegen de opdrachtgevers manifest om het museum niet weg te stoppen. Tegelijk mag het ook geen vreemd lichaam worden in het stadsweefsel. Anders krijg je afstotingsverschijnselen.
En dat is een gevaar bij veel musea en hun vertegenwoordigers die graag een unieke identiteit willen uitstralen?
SB: Dat is een gevaar bij ieder gebouw. Daarom moet je goed opletten hoe je de gevelstructuur organiseert, hoe je de toegang (on)zichtbaar maakt, op welke manier je de nieuwsgierigheid wekt enzovoort. Ik denk dat je vooral de functie van een gebouw moet laten zien.
Staan er daarom twee torentjes aan beide zijden van de site?
Inderdaad. De site is 'opgespannen' tussen twee hogere stukken aan de Savoyestraat en de Hanengang. Door deze verhogingen toon je het museum aan de buitenwereld. Wie bijvoorbeeld door de Savoyestraat loopt, ziet ongeveer vijftien meter boven de grond kunstwerken en bezoekers. We hebben er echter voor gekozen om hierin subtiel te zijn. Een volledig, glazen museum is een wel zeer moeilijke opgave. Daarom tonen we slechts fragmenten. De passant ziet door de specifieke openingen in de gesloten wanden de functie van het gebouw. Omgekeerd is het voor de bezoeker van het museum uiteraard ook interessant en aangenaam om zich te kunnen oriënteren. Het museumparcours loopt zelfs over het dak van de nieuwbouw, zodat het museum en de omliggende stad erg sterk met elkaar geconfronteerd worden. Je bent als bezoeker sterk bewust dat je in Leuven rondloopt, en niet pakweg in Berlijn of Londen. Zo komt de rijkdom van ons patrimonium niet enkel tot uiting in de kunstwerken in het museum, maar ook in de zichten op de stad.
De mensen van het museum willen - terecht - zoveel mogelijk mensen lokken en voeling laten krijgen met ons erfgoed. Tegelijk willen ze tonen dat er ook nu zeer interessante, nieuwe krachten zijn. Dat laatste gebeurt nu nog - vermoed ik - wat te weinig.
Oud en nieuw
M is inderdaad zowel inhoudelijk als architecturaal een constante evenwichtsoefening tussen het historische en het onvervalst hedendaagse. Zo moest u - die bekend staat als een architect die de doordachte eenvoud cultiveert - in uw ontwerp rekening houden met een beschermd fronton en dito zuilen. In hoeverre vond u dat vervelend? Of was het net handig om enkele begrenzingen aangereikt te krijgen?
SB: Het fronton is een mooi symbool. Zelf kan je zoiets niet maken. Dan is het pure kitsch. Maar aangezien het er toch stond en beschermd was, kan je er maar beter iets mee doen. Het is zinloos om het daar domweg als een oud relikwie te laten staan. We hebben uiteindelijk lang gezocht om het positief tot uiting te laten komen. Daarom gaven we het een primaire functie. Het vormt nu de hoofdtoegang: zowel de toegang tot het museum, als de hoofdtoegang tot de museumsite zelf. Ach. Wij architecten moeten eigenlijk niet al te moeilijk doen. Een Grieks fronton is uiteindelijk een mondiaal symbool voor een museum. Het verzinnebeeldt de degelijkheid en het nut van zo een plaats. Het spreekt een bepaalde taal die iedereen verstaat en die wij mogen hergebruiken. Aanvankelijk stonden we er wel - zoals ik daarnet reeds zei - zeer kritisch tegenover. Maar nu beschouw ik het als een cadeau.
Ook in uw ontwerp heeft u getracht de link te maken tussen de oudere gedeelten (de voormalige academie en het oorspronkelijke huis Vander Kelen-Mertens) en de nieuwe door u gebouwde gedeelten. Op sommige plaatsen staan de nieuwe gebouwen letterlijk tegen de oude, terwijl u op andere plaatsen brugjes bouwt. Vanwaar deze dubbele keuze?
SB : Ik hou niet zo van architectuur die per definitie afstand wil bewaren tussen nieuwe en bestaande gebouwen. Je kan wel degelijk gebouwen met elkaar confronteren door ze letterlijk tegen elkaar aan te bouwen. Je hoeft niet zonodig overal vides en andere architecturale hoogstandjes te gaan bouwen. Zo staan de nieuwbouw in de Vanderkelenstraat en de oude academie eenvoudigweg tegen elkaar. Dat is daar geen enkel probleem omdat je beide nog steeds volwaardig kan zien. Op andere plaatsen zijn openingen echter wel relevant. Zo is het soms zinvol om de overgang tussen de verschillende zones te tonen. Dat is bijvoorbeeld zo bij de verbinding tussen de nieuwbouw aan de Hanengang en het huis Vander Kelen-Mertens. Daar linkt een loopbrug de twee gebouwen aan elkaar. Zo beseft de bezoeker dat hij of zij het oorspronkelijk museum binnenstapt. Het oorspronkelijke 'huis' blijft volledig in zijn waardigheid behouden. De weldoordachte openingen op specifieke, cruciale punten doorbreken de gelaagdheid van het gebouw. Ik denk dat dat zeer belangrijk is. We hebben dat ook gedaan bij de nieuwe hoofdentree. De overgangen zijn daar zeer visueel.
De voormalige entree van het museum heeft u echter laten verdwijnen. Waarom precies, het gebouw was puur technisch gezien toch in goede staat?
SB: Tja. Die amechtige, grote aanbouw aan het huis Vander Kelen-Mertens stond als een tang op een varken en maakte o.a. een zinvol parcours onmogelijk.
Was het makkelijk de opdrachtgever hiervan te overtuigen?
SB: Ik overtuig de mensen niet. Ik laat ze zichzelf overtuigen.
Zal er een verband zijn tussen de leeftijd van de gebouwen en de leeftijd van de kunstwerken binnenin? Zullen historische kunstwerken m.a.w. enkel in de bestaande complexen opgesteld staan?
SB: Neen. Het is niet zo dat we een bepaald parcours toeëigenen aan een bepaald type van kunst. In ieder gebouwtype kan zowel oude als nieuwe kunst komen. Ik ervaar ook telkens bij tentoonstellingen die ik vormgeef, dat hedendaagse kunstenaars graag 'terechtkomen' in bepaalde oude ruimten, terwijl oude kunst evengoed ten volle tot haar recht komt in hedendaagse gebouwen. We gaan bijvoorbeeld de oude kunst niet enkel aan het huis Vander Kelen-Mertens toeëigenen, want dan heb je het voor eens en altijd gezien.
Ontwerp je dan een museum voor hedendaagse kunst niet anders dan een 'palais des beaux-arts'?
SB: Afhankelijk van de collectie zouden er inderdaad wel andere accenten liggen. Maar reeds bij ons allereerste voorstel van de wedstrijd voor deze site, bestond de basisvisie om oude en nieuwe kunst horizontaal te verdelen over alle gebouwen, oude en nieuwe. Het parcours van oude en nieuwe kunsten slingert zich dwars doorheen de hele site. Ik denk dat dat het belangrijkste is.
Kamermodel
Het parcours dat de museumbezoeker aflegt, is inderdaad zeer uitgesproken. In de bouwopdracht was er reeds sprake van 'het kamermodel'. De tentoonstellingsopbouw moest kunnen gebeuren aan de hand van kamers. Dat is nog een gevolg van de studie van Jan Hoet op de site. In het oorspronkelijke huis Vander Kelen-Mertens is deze opbouw vanzelfsprekend, maar was dit nog relevant voor de nieuwbouw?
SB: Je had - inderdaad - een reeks van kleinere kamers in de oorspronkelijke gebouwen. Maar om tentoonstellingsorganisatoren zoveel mogelijk inrichtingsmogelijkheden te schenken, hebben we in de nieuwe gedeelten toch eerder ruimere en hogere kamers (zalen) gemaakt die de juiste klimatologische context kunnen genereren. We hebben die kamervisie van Jan Hoet doorgetrokken naar een hogere schaal. De integrale museumsite vormt op zijn beurt een kamer in de stad. Leuven is net als een huis een netwerk van vele open gebieden (kamers) die via een netwerk van voetpaden en fietsverbindingen (gangen) met elkaar verbonden zijn. Het museum zal zich in dit circuit inpassen. Door het grote aantal in- en uitgangen werkt het museumgebied erg 'osmotisch'. Sommige grotere elementen - zoals de centrale eik, het fronton, de zuilen enzovoort - zijn dan het meubilair dat we mochten integreren in deze stedelijk kamer die de museumsite is. De nieuwbouw is op zijn beurt een goede aanvulling op het bestaande patrimonium.
Eén van de meest opvallende plekken in de nieuwbouw is ongetwijfeld het auditorium. Dat is geen klassieke zaal. Waarom?
SB: Een klassiek auditorium zou in een museum te weinig gebruikt worden. Daarom geven we verschillende functies aan de 'auditoriumruimte'. We hebben de ruimte ontworpen als een antichambre: een overgangsruimte tussen het eigenlijke museum en de buitenwereld. Je kan er wel degelijk een afgesloten lezing organiseren, maar evengoed installeer je er een video-installatie, of is het de start van een schilderijententoonstelling. Het is in ieder geval een plek waar iets kan, moet gebeuren.
Probeert u dezelfde flexibiliteit in de Hanengang te steken?
SB: Dat is zo. De Hanengang - die een verwaarloosd straatje is - gaat terug geïntegreerd worden in de stad. Vandaar dat precies deze plek de toegang is tot de ruimten voor de workshops en de loge. Dit straatje heeft absoluut de potentie om een tweede, derde of zelfs vierde entree te worden voor de site. Daarmee kan ook dit gebied een onderdeel vormen van het routesysteem dat door heel Leuven slingert. Op die manier kan je er ook andere functies krijgen dan banale parkeerplaatsen. Weet je, een architect moet niet alleen bezig zijn met de precies afgelijnde opdracht, maar ook met de stad er rond. Niet omdat je als een soort machtswellusteling het hele stadsweefsel moet veranderen, maar wel omdat je zo een meerwaarde kan creëren. Een meerwaarde die niet alleen het museum maar ook de omliggende stad ten goede komt.
M zelf is ook al meer dan een museum. Hoe bekijkt u pakweg de boekenwinkel en de cafetaria?
SB: Ik vind het zeer goed en zelfs normaal dat beide er zijn. Neem nu het gebouw waar we nu zitten (het interview vond plaats in het Antwerpse Kunstencentrum De Singel dat Stéphane Beel ook uitbreidt). Oorspronkelijk waren beide zalen hier groot uitgevallen repetitieruimten voor het conservatorium. Later is hier een kunstencentrum rond gegroeid. Maar niemand had zich bekommerd om secundaire functies als een cafetaria of restaurant. Die heb je nochtans nodig in een publiek gebouw. Zelfs in het centrum van Leuven, dat nu al bulkt van de cafés, is het interessant om een cafetaria te hebben die specifiek bij het museum hoort. Zo hoef je niet iedere keer naar het museum zelf te gaan om een 'kunstige aanwezigheid' te voelen.
U werkt ook soms samen met kunstenaars in het ontwerp van uw gebouw zelf. Is dat voor een museum wat complexer omdat je dan met een overdaad aan beelden dreigt te zitten?
SB: We werken niet vaak met kunstenaars voor nieuwbouwprojecten. We werken wel vaak samen wanneer er bepaalde werken ergens moeten geïntegreerd worden. Ik heb bijvoorbeeld een experiment gedaan voor het keramisch centrum in Nederland. Ik wilde graag zien wat er mogelijk was, maar ik wil absoluut nooit het handje van de kunstenaar gaan vasthouden.Een kunstenaar heeft uiteindelijk toch nog een andere functie dan een architect. De artiest kan naast de maatschappij gaan staan en commentaar geven. Ik geef ook wel commentaar … maar op een ander echelon. Of dat nu hoger of lager is, daar spreek ik me niet over uit. Maar soms zijn die samenwerkingen met kunstenaars inderdaad verrassend. Ik wil ook graag verrast worden en ik hoop dat ook iedere bouwheer graag verrast wordt. Niet om de verrassing zelf, maar om de verschillende lagen die in een kunstwerk aanwezig zijn te kunnen ontdekken, te kunnen zien, en daar … gewoon gelukkig bij te zijn.