Het tentoonstellingsparcours
Het belangrijkste deel van een museum is en blijft de tentoonstellingsruimte. De plek waar je als bezoeker oog in oog komt te staan met laatmiddeleeuwse passiebeelden, sociaal-realistische beelden van Constantin Meunier of hedendaagse foto's.
Net als het gebouw zelf zijn de tentoongestelde werken een combinatie van oud en nieuw. De permanente collectie is historisch, de tijdelijke tentoonstellingen zijn zowel hedendaags als historisch. Zo staan bij de opening de Vlaamse Primitief Rogier van der Weyden en Brussels beeldend kunstenaar Jan Vercruysse centraal.
Om deze constante roulatie van kunstwerken te kunnen uitvoeren, is het hele gebouw volledig gereorganiseerd: liften, schachten, garages enzovoort zijn vandaag zo ingebouwd dat de werken veilig en eenvoudig kunnen verhuizen. Het imposante depot dat onder het museum ligt - en waar een titanenwerk wordt verricht om de eeuwenoude collectie van 46.000 objecten te bewaren - ligt letterlijk onder de tentoonstellingsruimte en voedt continu de permanente collectie.
De tentoonstellingsruimte slingert door het hele gebouw: dwars door de historische panden, hedendaagse gebouwen, het dakterras, ... Alle deze verschillende ruimtes zijn op een intelligente wijze met elkaar verbonden zodat je als bezoeker wel duidelijk door eenzelfde verhaal loopt. Onderweg zie je overal de stad en perfect gekadreerde zichten op andere delen van het gebouw zelf.
Kleuraccenten
Doorheen alle gebouwen van het museum loopt één subtiele kleur als een herkenbare leidraad.
Op verschillende plaatsen zijn er soms verrassende kleuraccenten aangebracht. Deze hedendaagse kleuren verduidelijken niet alleen de verschillende thema's, maar helpen de bezoeker ook om zich te oriënteren in het gebouwencomplex. Bij de restauratie van het huis Vander Kelen-Mertens, greep men terug naar de oorspronkelijke tinten en materialen.