Luisterverhaal uit de schepenbank: Konijnenplaag in Wortel

Drie dorpen keren zich tegen hun leenheer door een konijnenplaag.

Luister naar het verhaal

Beluister je het verhaal op locatie en luister je met anderen naar 1 smartphone? Ga dicht bij elkaar staan om het verhaal goed te verstaan. Zo kunnen andere bezoekers genieten van de rust.

Lees het verhaal

De schepenbank van Leuven diende ook als het hof van hoger beroep van heel het hertogdom Brabant. Het kwam dus regelmatig voor dat de schepenen zich moesten buigen over kwesties die ver buiten hun eigen rechtsgebied lagen.

Zo meldden zich op 9 november 1423 vertegenwoordigers van de dorpen van Rijkevorsel en Wortel aan bij de Leuvense schepenen. Zij kwamen een klacht indienen tegen hun leenheer, Jan van Cuijk, de heer van Hoogstraten.

De edelman had het in het verleden namelijk aan de stok met de inwoners van Hoogstraten over een konijnenpopulatie, die voor overlast zorgde. De konijnen vormden ook voor Wortel en Rijkevorsel een plaag, en daarom wilden de drie dorpen samenspannen tegen Jan van Cuijk om iets aan die plaag te doen.

Om niet al zijn vazallen tegen hem in het harnas te jagen, paaide de adellijke heer Wortel en Rijkevorsel met de belofte dat hij hen vriendelijk zou bejegenen en dezelfde vrijheden zou toekennen, die Hoogstraten volgens het recht bezat, zolang ze hem maar niet tegenwerkten.

De twee dorpen wilden dat hun heer nu met de beloofde rechten over de brug kwam, want zij waren hun beloften wel nagekomen en hadden hem zelfs een som van tweehonderd kronen betaald. Daarnaast moesten ze aan precies dezelfde verplichtingen qua accijnzen en belastingen voldoen als de inwoners van Hoogstraten, dus gezien de omstandigheden was het hoog tijd dat ze dezelfde vrijheden kregen, zeker die over de konijnenjacht.

Jan van Cuijk bedankte eerst nog de twee mopperende dorpen dat ze niet meer tegen hem samenspanden, maar verklaarde daarna doodleuk dat hij hen niets verschuldigd was omdat Hoogstraten geen enkel van hun vrijheden had verkregen via het recht, maar omdat hij die vanuit zijn goedheid geschonken had. Daarnaast zou hij nog geen cent hebben gezien van de tweehonderd kronen die Wortel en Rijkevorsel aan hem zouden betalen in ruil voor het doden van de konijnen.

Meer nog, hij kon zich niet voorstellen ooit beloofd te hebben de konijnenjacht toe te staan in ruil voor geld. Hij, zijn vader en zijn grootvader hadden altijd al het recht gehad om op konijnen te jagen, en de inwoners van Wortel en Rijkevorsel moesten zelfs hun honden en katten strak in toom houden om te voorkomen dat ze konijnen kwaad zouden doen.

Bovendien had hij dit recht verkregen van zijn eigen leenheer, de hertog van Brabant, en hij kon dat dus niet zomaar afstaan of doorgeven. De aanklagers uit de dorpen probeerden nog aan te halen dat zij getuige waren geweest van de belofte en dat ze weldegelijk het geld hadden betaalden, maar het was tevergeefs. Veel van de getuigen hadden slechts via-via over de belofte gehoord, kon de Jan van Cuijk aantonen.

Bovendien waren ze volgens hem ook geen betrouwbare getuigen, want ze hadden allemaal iets te winnen, namelijk het recht op konijnenjacht. De schepenbank volgde het argument van de edelman en besloot de eis van Wortel en Rijkevorsel af te wijzen. Zij werden daarnaast erop gewezen dat als het probleem van de konijnen bleef aanhouden, ze daarmee beter naar een lagere rechtbank konden gaan. Voorlopig konden de knaagdieren echter vrolijk hun gang gaan, terwijl Wortel en Rijkevorsel met hun tanden knarsten.

Heb je een vraag?

Contacteer ons. Wij helpen je graag verder.

Bel ons

016 27 42 20
Je krijgt zo snel mogelijk een antwoord.
Iets fout of onduidelijk op deze pagina? Meld het ons.